De vier pijlers van Servië barsten.

New Eastern Europe
De vier pijlers van Servië barsten.

Al twee decennia lang balanceerde Belgrado tussen Brussel, Washington, Moskou en Beijing. De strategie maximaliseerde ooit de invloed van Servië. Vandaag de dag kan het zijn grootste kwetsbaarheid worden.

Voor een groot deel van de 21e eeuw is het buitenlands beleid van Servië stilletjes bewonderd in bepaalde ambassades als een prestatie van strategische behendigheid. Belgrado slaagde erin om EU-toetredingsgesprekken te voeren terwijl het de energiebanden met Moskou verdiept, Chinese infrastructuurinvesteringen verwelkomde en een veiligheidsdialoog met Washington handhaafde. De zogenaamde "vier pijlers" – de EU, de Verenigde Staten, Rusland en China – waren geen tegenstelling. In plaats daarvan vormden ze een systeem. Elke relatie diende een duidelijke functie, en de kunst van de Servische diplomatie lag in het voorkomen dat één actor een keuze zou dwingen.

 

Dat systeem rustte op een specifieke configuratie van de internationale orde. Het ging uit van een Amerikaanse unipolariteit die stabiel genoeg was om als vanzelfsprekend te worden aangenomen, een Europese Unie die verdiept was in haar eigen uitbreidingslogica, een Rusland dat binnen regels concurreerde die het af en toe buigde maar niet openlijk brak, en een China wiens ambities vooral commercieel waren. In die wereld was strategische ambiguïteit geen ontwijking. Het was beleid.

 

Die wereld bestaat niet meer.

 

Van balans naar strategische contradictie

 

De verandering gebeurde niet van de ene op de andere dag, en Belgrado kan niet worden verweten dat het de snelheid ervan niet heeft voorzien. Echter, het cumulatieve effect is nu zichtbaar. Wat ooit diplomatieke ruimte creëerde, wekt nu wantrouwen. Brussel vraagt zich af over de strategische oriëntatie van Servië. Washington betwijfelt de betrouwbaarheid als partner. Moskou – dat stilletjes de rol van Servië als indirecte leverancier van artilleriemunitie aan Oekraïne heeft genoteerd, gedocumenteerd maar nooit officieel erkend in Belgrado – is overgegaan van tolerantie voor Servisch pragmatisme naar het actief testen van de grenzen ervan. Tot slot kijkt Beijing naar de politieke turbulentie in Belgrado en herberekent de duurzaamheid van haar investeringen.

 

Servië balanceert niet tussen vier pijlers. Het zit op vier stoelen die in tegengestelde richtingen bewegen.

 

Dit is niet slechts een kwestie van optics of messaging. Het weerspiegelt een structurele verandering in wat de vier relaties nu eisen. Tijdens de jaren dat de pijlerstrategie werd opgebouwd, waren elke partner bereid om gedeeltelijke betrokkenheid te accepteren. De EU bood een proces zonder deadline. Washington tolereerde ambiguïteit in ruil voor regionale stabiliteit. Rusland waardeerde de symbolische niet-uitlijning van Servië. China vroeg alleen om contracten.

 

Vandaag hebben al deze actoren hun voorwaarden herzien. De EU, versneld door de oorlog in Oekraïne, staat onder druk om uitbreiding te behandelen als een veiligheidsinstrument in plaats van een bureaucratisch proces. Washington is minder tolerant geworden voor partners die zich schuilhouden achter sancties en ambigu stemmen bij de Verenigde Naties. En China, geconfronteerd met haar eigen strategische druk, is steeds meer geïnteresseerd in het weten op welke zijde van een opkomende kloof haar partners zullen staan.

 

De pijlerstrategie was ontworpen voor een permissieve omgeving. De omgeving is niet langer permissief.

 

Er is een dieper institutioneel aspect aan dit probleem dat zelden wordt besproken in westerse analyses. Servië is niet in staat geweest om een coherente buitenlandse beleidsstrategie te ontwikkelen of om haar bestaande Nationale Veiligheidsstrategie af te stemmen op het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de EU. Dit is niet slechts een bureaucratische tekortkoming. Het weerspiegelt een dieper politiek onwil om de nationale belangen van Servië met precisie te definiëren. Servische politici hebben weinig zin getoond in de helderheid die strategische definitie vereist – deels omdat duidelijkheid stemmen kost. Het cultiveren van nationalistische sentimenten terwijl men tegelijkertijd Europese integratie nastreeft, is electorally handig gebleken voor opeenvolgende regeringen. De ambiguïteit is geen toeval; het wordt actief gecultiveerd. Een staat die niet kan articuleren waar hij naartoe gaat, kan niet geloofwaardig beweren dat hij ergens naartoe gaat. In een periode van wereldwijde geopolitieke turbulentie draagt die onzekerheid een existentiële dimensie. In een regio waar grenzen, identiteiten en historische grieven actief worden betwist, verliest een staat zonder een duidelijke strategische richting niet alleen invloed – hij wordt kwetsbaar.

 

Waarom Tivat ertoe doet

 

De betekenis van de recente EU-Western Balkans-top in Tivat lag daarom niet in een enkele verklaring. Het belang lag in wat het onthulde over de veranderende mindset in Brussel. Jarenlang benaderde de Europese Unie uitbreiding als een technocratisch proces. Lidmaatschap werd gepresenteerd als de beloning voor hervormingen, terwijl toetreding zelf opzettelijk open bleef. Die aanpak was houdbaar zolang de geopolitieke omgeving relatief stabiel bleef.

 

De oorlog in Oekraïne veranderde die berekening. Uitbreiding wordt steeds meer gezien niet als een bureaucratisch proces, maar als een veiligheidsinstrument. Vooral voor Parijs en Berlijn is de vraag niet langer of de Westelijke Balkan bij Europa hoort. In plaats daarvan is de vraag of Europa het zich kan veroorloven om de regio strategisch bloot te stellen.

 

Hier wordt Servië zowel onmisbaar als problematisch.

 

Geen duurzame Europese veiligheidsarchitectuur in de Westelijke Balkan kan worden opgebouwd zonder Servië. De geografische ligging, economische gewicht, militaire capaciteiten en politieke invloed maken het de spilstaat van de regio. Toch is Servië ook de staat die het minst bereid is om haar langetermijnstrategische afstemming te definiëren. Het resultaat is een paradox die de Europese beleidsmakers steeds meer frustreert: het land dat het meest essentieel is voor regionale stabiliteit, is ook het land dat het meest toegewijd is aan strategische ambiguïteit.

 

Voor Brussel is deze ambiguïteit niet langer slechts een diplomatieke ongemakkelijkheid. Het wordt een veiligheidsprobleem.

Voorbij Kosovo – en voorbij het Westen

 

Westers debat over Servië blijft vaak gevangen in het kader van de Belgrado-Pristina dialoog. Kosovo blijft belangrijk, maar het is niet langer de enige – of zelfs de belangrijkste – strategische vraag. Een meer fundamenteel probleem komt onder de oppervlakte naar voren.

 

Kan Servië geopolitiek niet-gealigneerd en militair neutraal blijven in een Europa dat zich snel herorganiseert rond veiligheidsblokken?

 

Maar er is een voorafgaande vraag die westerse analisten te weinig stellen: wat betekent "zich aansluiten bij het Westen" precies wanneer de belangen van het Westen zelf uiteenlopen?

 

Het vierpijler buitenlands beleid ging uit van een coherente westerse positie. Die aanname verdient kritische beschouwing. Amerikaanse en Europese belangen in de Westelijke Balkan zijn niet identiek – en de kloof tussen hen wordt groter. Deze divergentie begon niet met de huidige Amerikaanse regering, en zal niet eindigen wanneer die vertrekt. Het weerspiegelt diepere structurele verschuivingen in hoe Washington en Brussel hun belangen in de periferie van Europa berekenen.

 

Het stille diplomatieke conflict over Bosnië en Herzegovina illustreert dat punt met ongemakkelijke helderheid. Het geschil over de benoeming van de Hoge Vertegenwoordiger, dat grotendeels onder de radar van regionale commentaren plaatsvindt, is onlosmakelijk verbonden met concurrerende visies op de Zuidelijke Gasverbinding – een project dat Bosnië toegang moet geven tot het energiesysteem van Kroatië en de Russische energie-invloed in de Balkan verder wil verminderen. De strategische logica van het project wordt breed gedeeld. Wie de controle heeft over de alternatieve infrastructuur, is geen vaststaande vraag. Vanuit dit perspectief wordt veel van het politieke gedrag uit Banja Luka gemakkelijker te begrijpen.

 

Servië navigeert dus niet tussen een binaire keuze tussen Oost en West. Het navigeert mogelijk tussen een driehoek – tussen Brussel, Washington en de toenemende ruimte daartussen. Militaire neutraliteit, ooit een nuttig evenwichtsmechanisme, lijkt steeds meer op een houdpositie tussen onverenigbare strategische realiteiten.

 

Dit betekent niet dat Servië voor een onmiddellijke, dramatische beslissing staat. Internationaal politiek werkt zelden op die manier. Strategische allianties ontstaan geleidelijk naarmate omstandigheden de beschikbare opties beperken. Dat proces is al aan de gang. En wanneer de oorlog in Oekraïne eindigt, zal de Westelijke Balkan mogelijk niet langer functioneren als één geopolitieke eenheid. De gevolgen van die fragmentatie – voor Servië, voor de regio, voor het Europese project zelf – zijn nog niet serieus onder ogen gezien.

 

Het einde van strategische ambiguïteit

 

Al twee decennia profiteerde Servië van een internationale omgeving die flexibiliteit beloonde. Het vermogen om gelijktijdig te engageren met Brussel, Washington, Moskou en Beijing maximaliseerde diplomatieke manoeuvreerruimte terwijl strategische verplichtingen werden geminimaliseerd.

 

De opkomende Europese veiligheidsorde werkt volgens andere regels.

 

In een continent gevormd door de oorlog in Oekraïne, toenemende grootmachtconcurrentie en groeiende zorgen over economische en technologische afhankelijkheid, wordt ambiguïteit moeilijker vol te houden. Strategische helderheid krijgt steeds meer waarde dan strategische flexibiliteit.

 

Dit betekent niet dat Servië al haar elementen van haar traditionele buitenlands beleid moet opgeven. Noch dat Europese integratie automatisch elk strategisch dilemma oplost waarmee het land wordt geconfronteerd. Het betekent echter wel dat de aannames onderliggend aan de vierpijlerdoctrine aan het verschuiven zijn – niet omdat Servische beleidsmakers ze niet vaardig beheersten, maar omdat het internationale systeem dat ze mogelijk maakte, wordt afgebroken door krachten die veel groter zijn dan enige nationale buitenlandse politiek.

 

De grootste uitdaging voor Servië vandaag is niet kiezen tussen Oost en West. Het is erkennen dat het internationale systeem dat het ooit in staat stelde die keuze te vermijden, verdwijnt. Het gevaar voor Servië is niet dat het gedwongen wordt te kiezen. Het gevaar is dat de keuze uiteindelijk wordt gemaakt door de strategische omgeving eromheen.

 

De periode van vier pijlers was ontworpen voor een wereld van strategische ambiguïteit. Europa betreedt een tijdperk dat strategische helderheid beloont.

 

Nikola Lunić is een Servische geopolitieke en veiligheidsanalist en gepensioneerd marinekapitein. Hij diende eerder als Servisch Defensieattaché in Londen en als uitvoerend directeur van de Raad voor Strategisch Beleid. Hij is momenteel adviseur voor Strategische Zaken en gastdocent aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit van Osijek. Hij is auteur van talrijke analyses en mediainterviews over geopolitieke, veiligheids- en internationale onderwerpen gepubliceerd in Servië, in de regio van de Westelijke Balkan, en in internationale media waaronder Kyiv Post.