Kracht zonder eenheid: Vakbondsbeweging in het interbellum Tsjecho-Slowakije

Kapitál
Kracht zonder eenheid: Vakbondsbeweging in het interbellum Tsjecho-Slowakije

In het vorige deel hebben we gezien hoe de Eerste Wereldoorlog het internationalisme heeft gebroken en uiteindelijk ook het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Het jaar 1918 en de oprichting van Tsjecho-Slowakije brachten de vakbonden de voorwaarden voor functioneren in een democratisch regime. Voor de arbeiders slaagde men er zeer snel in om verschillende arbeidsrechten en sociale hervormingen door te voeren. De nieuwe republiek had echter ook een andere kant. Er waren schietincidenten op stakende arbeiders en een opvallende maatschappelijke pluralisering, die ook de vakbonden trof en nieuwe uitdagingen met zich meebracht. In dit deel besteden we meer aandacht aan christelijke vakbonden, wat overeenkomt met de invloed van de Volkspartij in de Slowaakse politiek en de positie die zij geleidelijk hebben opgebouwd.

In het vorige deel hebben we gevolgd hoe de Eerste Wereldoorlog het internationalisme verbrak en uiteindelijk ook de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Het jaar 1918 en de oprichting van Tsjechoslowakije brachten de vakbonden voorwaarden voor functioneren in een democratisch regime. Voor de arbeiders slaagde men er zeer snel in om verschillende arbeidswinstpunten en sociale hervormingen door te voeren. De nieuwe republiek had echter ook een andere kant. Er waren schietincidenten op stakende arbeiders en een opvallende maatschappelijke pluralisering, die ook de vakbonden trof, bracht nieuwe uitdagingen. In dit deel besteden we meer aandacht aan de christelijke vakbonden, wat overeenkomt met de invloed van de Volkspartij in de Slowaakse politiek en de positie die zij geleidelijk hebben opgebouwd.

Van revolutionaire hoop naar nieuwe republiek

Het laatste jaar van de oorlog bracht een escalatie van de toen al slechte situatie. De autoriteit van de monarchie brokkelde onder druk af en een golf van stakingen eiste vrede en betere bevoorrading. Onvrede uitte zich al snel ook in het leger. Begin juni 1918 kwam in het Servische Kragujevac een vervangingsbataljon van het Trencin 71e infanterieregiment in opstand, aangevuld met enkele duizenden Slowaakse soldaten die kort daarvoor uit Russische gevangenschap waren teruggekeerd. Zulke opstanden hebben in feite de oorlog beëindigd, met een pan-Europese karakter. Bijvoorbeeld, de zeelui in Kiel in november 1918 hielpen revolutionaire bewegingen ontketenen, waaruit meerdere republieken voortvloeiden.

De golf van onvrede trof ook Slowakije, vooral haar industriële centra, mijnen en ijzergieterijen. Stakingen braken uit in bijvoorbeeld Podbrezová en Košice. Arbeiders eisten loonsverhogingen, betere bevoorrading en het recht op vakbondsactiviteiten. In januari 1918 brak in de monarchie een algemene staking uit die een einde aan de oorlog eiste. Het verval van de monarchie versnelde zich verder en leidde uiteindelijk tot de oprichting van nieuwe staten, waaronder Tsjechoslowakije. De turbulente ontwikkeling trof ook het Slowaakse gebied. Op 16 juni 1919 werd in Prešov, in nauwe samenwerking met de opmars van het Hongaarse Rode Leger, de Slowaakse Republiek uitgeroepen, die na de terugtrekking van Hongaarse troepen op 7 juli al weer verdween.

De oprichting van Tsjechoslowakije opende nieuwe mogelijkheden voor de vakbonden. De nieuwe republiek, die zich aan democratie verbond, voerde verschillende sociale hervormingen door die een belangrijk onderdeel vormden van de legitimiteit van het nieuwe regime, dat zich afzette tegen de sociale en politieke ongelijkheden van de Habsburgse monarchie. Hiertoe behoorden een achturige werkdag, de geleidelijke uitbreiding van het recht op betaalde vakantie, steun voor collectieve onderhandelingen, uitkeringen voor werklozen, hulp aan weduwen, wezen en invaliden, en de ontwikkeling van ziekte- en pensioenverzekeringen. Ook de collectieve onderhandelingen breidden zich aanzienlijk uit en in de eerste jaren na de oorlog werden duizenden collectieve overeenkomsten gesloten.

De nieuwe sociale rechten waren het resultaat van de druk van de arbeidersbeweging, de naoorlogse onrust en deels ook de vrees van de politieke elites voor verdere radicalisering van de samenleving. Er was echter ook een slechtere kant van de republiek. Toen bijvoorbeeld in 1921 in Krompachy de politie ingreep tegen demonstranten, eiste het vuurwapengeweld het leven van meerdere arbeiders. Dit was niet het enige geval. Evenzo losten de genoemde positieve veranderingen niet alle problemen op. Armoede en werkloosheid bleven onderdeel van het dagelijks leven, zelfs na 1918.

Voor de vakbonden op Slowaakse grondgebied betekende de val van de monarchie vooral het doorbreken van oude banden. De contacten met de centra in Boedapest werden verbroken en de Slowaakse vakbonden begonnen deze te leggen met de Tsjechische. Zij gingen echter het land binnen met een duidelijk andere focus. De sterkste positie hadden de vakbonden in de Tsjechische landen, waar het grootste deel van de industrie geconcentreerd was, een grote arbeidersklasse, oudere organisatorische tradities en een dichter netwerk van vakbondstructuren. Slowakije was minder geïndustrialiseerd, met een groter aandeel plattelandsbevolking en een zwakkere vakbondstraditie.

Sterke beweging, versnipperde vakbonden

Het interbellum Tsjechoslowakije was een land met een sterke, maar uiterst versnipperde vakbondsbeweging. Vakbonden leden niet alleen op basis van sector of beroep, maar ook op basis van politieke en nationalistische affiliaties. De belangrijkste centrale was de Sociaal-Democratische Tsjechoslowaakse Vakbond. Daarnaast was er de Tsjechische Arbeidersvereniging, verbonden met de nationaalsocialistische politieke stroming, Duitse sociaaldemocratische vakbonden, christelijk-sociale organisaties, communistische Rode Vakbonden, maar ook geleidelijk aan vakbonden van agrarische aard en andere kleinere centrales. Politieke partijen hadden een grote invloed op de vakbondsbeweging en bepaalden vaak niet alleen haar ideologische koers, maar ook haar praktische strategie. De eerste president van de republiek, Tomáš Garrigue Masaryk, was nauw verbonden met de arbeidersbeweging, vooral met haar opleidingsactiviteiten, en stond aan de wieg van de Dělnická akademie, die hij later steunde. Het was een invloedrijke, sociaaldemocratisch georiënteerde onderwijsinstelling die al in 1896 werd opgericht en tot 1938 bestond, het einde van de eerste Tsjechoslowaakse Republiek. Tegelijkertijd vormde het een belangrijk intellectueel platform voor de sociaaldemocratische arbeidersbeweging.

Pluraliteit was zowel een bron van kracht als van zwakte. Aan de ene kant maakte het de organisatie van arbeiders met verschillende politieke en ideologische achtergronden mogelijk. Aan de andere kant verzwakte het de eenheid van de arbeiders. Kort na de oprichting van de republiek ontstonden pogingen tot eenheid van de vakcentrales, maar deze botsten op partijbelangen, persoonlijke ambities van vakbondsleiders en verschillende ideeën over de rol van de vakbonden. Voor sommigen moesten vakbonden instrumenten zijn voor sociale vrede en het geleidelijke verbeteren van de levensstandaard. Voor anderen waren ze een middel voor klassenstrijd en voorbereiding op een radicalere maatschappelijke verandering.

Ondanks de versnippering groeide de ledenbasis. In 1918 waren ongeveer 371.000 arbeiders in Tsjechoslowakije vakbondsgeorganiseerd, in 1921 al bijna twee miljoen. De economische crisis remde deze ontwikkeling tijdelijk, maar in de jaren dertig groeide de basis weer: in 1936 hadden de vakbonden meer dan 2,18 miljoen leden en eind 1937 ongeveer 2,3 miljoen. De beweging behoorde tot de belangrijkste maatschappelijke krachten van de Eerste Republiek. Ze had eigen pers, uitgebreide organisatorische structuren en de capaciteit om in te spelen op economische en politieke conflicten.

In Slowakije was de situatie anders. De vakbondsvorming was hier minder sterk dan in de Tsjechische landen en overschreed slechts zelden een derde van de werkende bevolking. Het sociaaldemocratische vakbondsbeweging behield na 1918 haar dominante positie, voortbouwend op oudere tradities van arbeidersorganisatie en na de oprichting van de republiek verbonden met de Tsjechische sociaaldemocratie. De sociaaldemocratie was in de eerste jaren na de oorlog de belangrijkste politieke omgeving waarin de eisen van de Slowaakse arbeiders werden gearticuleerd.

Een belangrijke breuk was de oprichting van de Communistische Partij en de daarmee samenhangende splitsing van de sociaaldemocratische beweging. In 1922 werden de Rode Vakbonden opgericht, die een klassenbenadering voorstonden en zich aansloten bij de internationale communistische beweging. De relatie tussen hen en de sociaaldemocratische vakbonden werd gekenmerkt door blijvende wantrouwen. De communisten beschuldigden de sociaaldemocraten van gematigdheid en het aanpassen aan de bourgeoise republiek, terwijl zij de communistische tactiek als sektarisch en splijtend zagen. Op bedrijfsniveau, vooral wat betreft lonen en arbeidsomstandigheden, konden ze echter samenwerken. Er bestaan zelfs symbiotische voorbeelden van een zekere mate van gezamenlijke aanpak tussen communistische en ľudácké vakbonden.

Tussen klasse, volk en kruis

Een bijzondere lijn in de Slowaakse vakbondsontwikkeling was de christelijke vakbondsbeweging, nauw verbonden met de katholieke sociale leer en het politieke klimaat van de Slowaakse Volkspartij. Zoals ik al schreef, gingen haar wortels terug tot het einde van de 19e eeuw, toen de kerk met de encycliek Rerum Novarum de ernst van de arbeidersvraag erkende, maar socialistische oplossingen afwees, evenals klassenconflict en aanvallen op privébezit. In plaats daarvan benadrukte ze sociale vrede, samenwerking tussen arbeid en kapitaal en de morele verplichtingen van werkgevers en werknemers. In het Hongaars gebied bleef de christelijke vakbondsvorming lange tijd achter bij de sociaaldemocratie. Haar successen inspireerden haar echter en ze wilde de reeds bewezen organisatiemechanismen van de arbeidersbeweging nabootsen.

Na de oprichting van Tsjechoslowakije begon deze omgeving zich te herorganiseren. De Landelijke Christelijk-Socialistische Partij, vooral actief in de meertalige gebieden in het zuidwesten van Slowakije, gaf de opdracht aan de priester Petr Haverla om de vakbondsvorming nieuw leven in te blazen. Hij leidde in Bratislava al sinds 1917 de christelijk-sociale arbeidersvereniging. In januari 1920 werden de statuten van het Landelijk Centrum voor Christelijk-Sociale Vakbonden goedgekeurd, gevestigd in Bratislava. Tegelijkertijd begon de Slowaakse Volkspartij, die tot dan toe de arbeidersvraag niet veel aandacht had gegeven, haar eigen vakbonden op te bouwen. In 1920 ontstond zo de Algemene Vakbond voor Christelijk Arbeidersorganisaties in Tsjechoslowakije op Slowakije, nauw verbonden met de ľudácké politieke omgeving en de Tsjechische Volkspartij.

De ľudácké christelijke vakbonden verzetten zich vanaf het begin tegen het marxisme, liberalisme, tsjechoslovakisme en Hongaarse christelijk-socialisten. Hun taal combineerde sociale kritiek met religieuze en nationale kaders. Ze bekritiseerden het kapitalisme als een moreel en maatschappelijk probleem, niet als een systeem van uitbuiting gebaseerd op klassenstrijd. Ze beschuldigden de socialistische en communistische vakbonden van atheïsme, het verspreiden van klassenhaat en bolsjeviekisme. In hun pers verschenen ook antisemitische motieven, vooral de voorstelling van de zogenaamde Joodse Bolsjewieken, die later een belangrijk element werden in de radicaliserende ľudácké politiek.

In de eerste jaren van de republiek speelden de christelijke vakbonden op Slowakije echter geen belangrijke rol. Ze hadden geen sterke vertegenwoordiging in de bedrijfsraden en -commissies en hun leiders twijfelden zelf of de beweging stand zou houden. Arbeiders in de moeilijke naoorlogse situatie zochten vaak radicalere oplossingen en de sociaaldemocratie had onder hen meer invloed. De beweging werd ook verzwakt door interne conflicten. Een deel van de vakbondsfunctionarissen verwierp de uitgesproken nationalisme en anti-tsjechische houding binnen de Slowaakse Volkspartij, maar deze oppositie kreeg geen brede steun.

De ommekeer kwam pas in de eerste helft van de jaren 20, toen Rudolf Čavojský aan het leiderschap kwam. Als jonge en actieve vakbondsmedewerker begon hij de ontwrichte organisatie praktisch opnieuw op te bouwen. De christelijke vakbonden stabiliseerden zich geleidelijk, hoewel hun groei traag was. Ze bleven zich presenteren als een schild tegen de “rode dreiging” en de kerkelijke omgeving steunde hen met pastoraal brieven, waarin christenen werden aangespoord zich af te scheiden van socialistische en communistische organisaties.

Ze moesten zich echter ook aanpassen aan de realiteit op de werkvloer, en juist daar bleek de innerlijke spanning binnen het christelijk vakbondswezen. Hun ideologie verwierp klassenstrijd en zag stakingen als een uiterste middel, dat pas mocht worden ingezet nadat alle mildere opties waren uitgeput. In de praktijk namen christelijke vakbondsleden ook deel aan stakingen. In de jaren 20 namen ze bijvoorbeeld deel aan stakingen in textielfabrieken in Rajec en Žilina, en in Trenčín. Zoals ik al aangaf, ontstonden ook onverwachte allianties. In 1927 stemden ľudácké, communistische en sociaaldemocratische vakbonden overeen over een gezamenlijke aanpak inzake de prijsstijging in cementfabrieken in Ladce en Lietavská Lúčka en behaalden ze succes. Zulke gevallen betekenden geen algemene eenheid, maar toonden aan dat de druk van de arbeiders soms ideologische grenzen kon overstijgen.

Crise en zoektocht naar een derde weg

De jaren dertig brachten een economische crisis, stijging van de werkloosheid en de opkomst van autoritaire en fascistische bewegingen in Europa. De christelijke vakbonden worstelden in die tijd met financiële problemen en een tijdelijk lidmaatschapsverlies, maar juist in deze periode begonnen ze weer aan kracht te winnen. De ideologische impuls gaf hen de encycliek Quadragesimo anno uit 1931, die voortbouwde op Rerum Novarum en de corporatieve, standengebonden ideeën over de ordening van de samenleving benadrukte. In het katholieke milieu was het een poging om de “derde weg” te vinden tussen liberalisme en socialisme.

Deze ideeën hadden een sterke invloed op de ľudácké vakbonden, maar deze namen ze wel op hun eigen wijze over. Čavojský profileerde zich in de tweede helft van de jaren 30 als een vakbondsvertegenwoordiger die marxisme en communisme afwees, maar ook het fascisme en nationaalsocialisme bekritiseerde. Hij zag fascisme vooral als een gevaar voor de arbeidersklasse en waarschuwde dat diens doelen en methoden niet verenigbaar waren met de christelijke principes. Een deel van de jongere generatie ľudácké politici liet zich in die tijd echter openlijk inspireren door autoritaire en fascistische regimes.

De positie van de christelijke vakbonden werd daarmee bemoeilijkt. Ze bleven loyaal aan ľudácké en deelden veel van hun ideologische wereldbeelden, waaronder anticommunisme, nationalisme en antisemitische motieven, maar hun sociale agenda, de band met de arbeiders en Čavojský’s kritiek op fascistische tendensen veroorzaakten spanning ten opzichte van de radicale vleugel van de partij. In 1937 hadden ze al meer dan 23.000 leden en waren ze de op één na sterkste vakbondsbeweging in Slowakije.

Op nationaal niveau werd de vraag naar vakbondseenheid steeds dringender. De opkomst van het nazisme in Duitsland, de vernietiging van vakbonden in autoritaire regimes en de dreiging van de ontbinding van de republiek legden druk op samenwerking, maar deze botste op wantrouwen tussen de centrales. Hoe deze strijd eindigde en wat het jaar 1938 en de oprichting van de zogenaamde tweede republiek voor de vakbonden betekenden, bespreken we in het vervolg.